Naar de inhoud

Van docent naar coach: wat lerend kwalificeren in de praktijk vraagt

Lerend kwalificeren verandert niet alleen de examinering. Het verandert vooral het dagelijkse werk van de docent.

Blog · 7 min lezen

Wanneer onderwijsteams starten met lerend kwalificeren, gaat de aandacht al snel uit naar het ontwerp en de examinering. Welke bewijzen verzamelen studenten wanneer? Welke rol heeft de examencommissie? En hoe zorgen we dat het diplomabesluit navolgbaar en verantwoord tot stand komt? Dat zijn terechte vragen. Maar wie zich alleen hiermee bezighoudt, mist een essentieel onderdeel van de verandering. Lerend kwalificeren verandert namelijk ook fundamenteel het dagelijkse werk van de docent.

De docent verschuift van kennisbron en beoordelaar op afzonderlijke momenten steeds meer naar een coach, begeleider, feedbackgever en beoordelaar van een doorlopende ontwikkeling. Dat betekent niet dat de vakinhoud minder belangrijk wordt. Integendeel: juist omdat leren en kwalificeren meer met elkaar verweven zijn, is het van belang dat de docent weet waar een student naartoe werkt, ontwikkeling kan duiden en samen met de student betekenis geeft aan wat er in de praktijk wordt gezien. In deze verschuiving, van docent naar coach, zit voor teams een belangrijke opgave, die nog vaak te weinig aandacht krijgt.

Waarom de docentrol verandert

In het klassieke model staan onderwijs en examinering los van elkaar: een docent begeleidt het leren en helpt de student verder, en een examinator stelt op één beslissend moment de beroepsbekwaamheid vast. Bij lerend kwalificeren maakt beoordelen onderdeel uit van het leerproces en laten studenten gedurende een langere periode zien wat zij kunnen en kennen, op basis van een rijke veelheid aan bewijzen, die zijn verzameld gedurende het leerproces. Die informatie wordt gebruikt om de ontwikkeling te sturen en om uiteindelijk een onderbouwde beslissing te nemen.

Eén bewijs is daarbij nooit doorslaggevend.

Pas wanneer er voldoende en samenhangende informatie is, ontstaat een basis voor een verantwoorde beslissing over de beroepsbekwaamheid.

Dat vraagt iets anders van de docent. De vraag is niet meer “Kan deze student het al? En is deze opdracht voldoende gemaakt?” maar vooral: “Wat zegt wat ik nu zie over de ontwikkeling van deze student richting het gewenste resultaat?” Als coach bespreek je doorlopend met de student wat al goed gaat, wat nog aandacht vraagt en wat nodig is om een volgende stap te zetten. De docent kijkt niet alleen terug op wat er is gebeurd, maar gebruikt informatie uit het leren om samen met de student vooruit te kijken.

Wie docent is, is gewend om kennis over te dragen en studenten te vertellen wat beter kan. In een lerend kwalificerende praktijk blijft dat nodig, maar is het niet meer voldoende. Wat je als docent doet staat vooral in het teken van de groei van de student naar beroepsbekwaamheid in de volle, geïntegreerde breedte. Concreet zie je dat terug in een aantal verschuivingen in het dagelijks handelen.

Vijf verschuivingen in het dagelijks handelen

  1. Van beoordelen naar duiden. Niet alleen vaststellen waar een student staat, maar betekenis geven aan wat je ziet. Wat gaat goed? Wat is nog onvoldoende zichtbaar? Welke ontwikkeling zien we over meerdere bewijzen heen? En wat is de volgende stap? Zo ontstaat er steeds beter zicht op de ontwikkeling, voor zowel student als docent.

  2. Van vertellen naar vragen. Niet onmiddellijk uitleggen wat beter moet, maar eerst onderzoeken hoe een student tot een aanpak of beslissing is gekomen. Het doel is niet om de docent minder inhoudelijk te maken, maar om het professionele denken en handelen van de student zichtbaar te maken. Observeren en het stellen van verdiepende vragen is hierbij van belang.

  3. Van bewijs verzamelen naar bewijs wegen. Niet de hoeveelheid bewijsmateriaal staat centraal, maar de informatiewaarde ervan. Verschillende bewijzen, verzameld in verschillende contexten en beoordeeld vanuit verschillende perspectieven, moeten samen een rijk en representatief beeld geven van de ontwikkeling van de student richting een beginnend beroepsbeoefenaar.

  4. Van individueel oordeel naar gedeelde professionele oordeelsvorming. Wanneer meerdere docenten, praktijkbegeleiders en andere betrokkenen informatie leveren, moeten zij dat ook gezamenlijk kunnen wegen. Wat verstaan we onder zelfstandig handelen? Wanneer is iets voldoende zichtbaar? Wanneer hebben we genoeg informatie om een beslissing te kunnen onderbouwen? Gezamenlijke kalibratie in dit proces is niet iets extra’s, maar voorwaardelijk om tot een verantwoorde beslissing te komen.

  5. Van docentregie naar gedeelde regie. De student neemt meer verantwoordelijkheid voor het eigen leerproces en voor het interpreteren en benutten van feedback. Dat betekent niet dat de docent zich terugtrekt. De docent organiseert juist de dialoog en stelt verdiepende en reflecterende vragen, zoals: Welke feedback heb je ontvangen en wat heb je daarmee gedaan? Kan je uitleggen hoe dit voorbeeld laat zien dat je deze leeruitkomst beheerst? De docent geeft richting, helpt de student betekenis te geven aan leerervaringen en bewaakt samen met de student de voortgang en groei.

Dat is misschien wel de meest uitdagende verschuiving: meer eigenaarschap voor de student betekent niet minder begeleiding door de docent. Het vraagt om andere vaardigheden.

Wat coach níet betekent

Een veelvoorkomend misverstand in de praktijk is dat “coach” betekent dat je over het proces gaat en niet meer over de inhoud. Het tegenovergestelde is waar. Zonder een scherp vakinhoudelijk beeld van wat beroepsbekwaam betekent, is feedback vrijblijvend en een diplomabesluit niet uitlegbaar. De rollen van docent, coach en beoordelaar komen juist dichter bij elkaar te liggen.

De echte professionaliseringsopgave

Professionalisering bij lerend kwalificeren gaat dus over meer dan ‘coachvaardigheden’. Het raakt aan alle verschuivingen tegelijkertijd en vraagt dan ook structurele aandacht in plaats van eenmalige scholing.

Daarbij is feedbackgeletterdheid een belangrijke randvoorwaarde: het vermogen om feedback te vragen, te geven, te ontvangen en te benutten. Leren is hierbij een gezamenlijke verantwoordelijkheid van docent en student: de docent zet feedback doelgericht en dialogisch in als onderdeel van het leerproces en de student leert feedback te interpreteren, erop te reflecteren en te gebruiken om vervolgstappen te bepalen.

Teams die dit serieus nemen investeren in feedbackvaardigheden en plannen daar structureel tijd voor in: trainingen, kalibratiesessies, intervisie en bij elkaar meekijken om te zien hoe een collega het aanpakt.

Verder zien we dat docenten in de praktijk tegen verschillende uitdagingen aanlopen. Een daarvan betreft gespreksvoering: dit dient kort, gericht en met tempo te zijn, want de tijd per student is er niet ineens bij. Een andere uitdaging betreft het omgaan met subjectiviteit: “mag ik dit vinden?” Het antwoord is ja, mits je het kunt onderbouwen en toetst bij collega’s. Verder is een gedeelde taal en kalibratie van groot belang: in de praktijk worden nog vaak verschillende termen gebruikt, wat niet bijdraagt aan een eenduidig beeld van lerend kwalificeren voor zowel de student als docent.

En daar ligt ook een verantwoordelijkheid van de organisatie

Deze rolverschuiving is geen individuele opgave van de docent. Teams die succesvol werken volgens lerend kwalificeren, hebben doorgaans een aantal zaken op orde:

  • Tijd voor (coach)gesprekken met de student, structureel ingeroosterd en niet weggehaald bij andere taken.
  • Structurele teamdialoog en kalibratie, om te werken aan gedeelde taal en onderwerpen als feedback, beoordelingscriteria en grensgevallen te bespreken.
  • Navolgbaarheid: een dossier waarin ontwikkeling over tijd zichtbaar is, zodat het diplomabesluit uitlegbaar blijft aan de student, aan de examencommissie en aan de inspectie.

Zonder die drie randvoorwaarden wordt coachen al snel goedbedoeld improviseren.

Waar Job Journey kan helpen

Een systeem maakt van een docent geen coach.

Dat willen we ook niet suggereren. Wat Job Journey wél doet, is het werk van de coach met technologie ondersteunen op de plekken waar het schuurt:

  • Door ontwikkeling over tijd zichtbaar te maken, zodat een gesprek gaat over groei in plaats van over de laatste prestatie;
  • Door informatie, feedback en bewijzen op een overzichtelijke manier bij elkaar te brengen;
  • Door school en werkplek vanuit één gezamenlijk kader en één taal naar ontwikkeling te kijken en deze te waarderen;
  • Door de onderbouwing van het diplomabesluit navolgbaar vast te leggen;
  • Door zicht op het hele cohort, zodat je weet wie je aandacht nu nodig heeft.

CINOP

Tegelijkertijd vraagt deze rolverschuiving niet alleen om een werkend systeem, maar ook om een stevige didactische en onderwijskundige basis. Daarom werken we samen met onderwijskundig adviseurs van CINOP, die teams begeleiden bij het verkennen, vormgeven en implementeren van lerend kwalificeren, tot aan de coachende rol van de docent. Zo bouwen we samen aan de didactische onderbouwing én de praktische inrichting van lerend kwalificeren.

← Alle verhalen

Werkt jouw team aan lerend kwalificeren?

Neem contact met ons op, we gaan er graag over in gesprek.